Leon. Raph. de Jong o.p.

…. en sindsdien woont God
in Nieuwland…

Verhalen over katholieke Schiedammers en hun geloof


Inhoud

  1. Inleiding Als het op zee stormt….

  2. 750 jaar katholiek Schiedam in vogelvlucht

  3. Verscheurde christenheid, ook in Schiedam

  4. Een burgemeestersweduwe die er wezen mocht

  5. Zo kwamen er Dominicanen in Schiedam

  6. Schiedamse katholieken en hun stadsregering

  7. De Havenkerk, symbool van een nieuwe tijd

  8. Het kerkgebouw als beeld van de Onafbeeldbare


Als het op zee stormt,
zijn er golven in de afgelegen baai

Ter inleiding

Als je een historisch verhaal schrijft kan dat op vele manieren. Hoe gaat de auteur van dit verhaal te werk? Hij kiest voor 'kleine' verhalen in een groot verband.

De beschrijving van de geschiedenis van een stadje als Schiedam kan opgebouwd worden als een 'klein verhaal'. Daarin wordt dan verteld over personen, gebeurtenissen en situaties, zoals die zich afspeelden op het kleine podium van deze bepaalde stad. Zo'n verhaal leent zich goed voor het vermelden van delicate details en uitvoerige beschrijvingen van individuele personen en hun lotgevallen. Zo'n verhaal legt de couleur locale vast en dat is toch de atmosfeer, waarin zich het concrete dagelijks leven van mensen afspeelt, nu en in het verleden.
Er is een ándere vorm van een historisch verhaal mogelijk. Immers, de gebeurtenissen in een stad, de gedachten en handelingen van individuele mensen, hangen samen met veel grotere verbanden. Schiedam is een stadje in West Europa en dus maken stormachtige veranderingen op Europese schaal golven op het afgelegen strand van een Hollands stadje. Grote wijzigingen in het Europese denken vonden weerklank in het veranderende denken van individuele Schiedammers. Europese conflicten klonken door in relletjes en ruzies, die zich binnen de stadswallen van Schiedam afspeelden. De stad is een individuele grootheid, maar tegelijkertijd een kraaltje in de lange historische ketting van de Europese geschiedenis, verbonden met alles en iedereen.
Dit geldt voor elke geschiedschrijving, maar vooral als er een onderwerp uit de katholieke kerkgeschiedenis wordt genomen. Het internationale karakter van de rooms katholieke kerk en de sterke verbondenheid met het pauselijke gezag in Rome zorgen ervoor dat veranderingen in het kerkelijk denken en kerkpolitieke keuzes tot in de uithoeken van Europa doorwerken. Dus ook in kerkelijk Schiedam.

De eerste statie
In 1616 vestigde zich een pater Dominicaan in Schiedam. Dit was de eerste van een aantal dominicaanse 'staties' in de Noordelijke Nederlanden: een soort missieposten, die later zullen uitgroeien tot parochies.

Voor de orde van de Dominicanen als geheel was dit een grote
verandering in het denken, want tot dan toe waren de Dominicaanse werkzaamheden bijna altijd verbonden aan kloosters. In Holland ontstond nu een andere vorm van Dominicaans leven en werken, namelijk in parochies. Deze ontwikkeling begon in Schiedam.
De orde was hier niet enthousiast over. Parochiewerk zou de vrijheid van prediking te gemakkelijk aan banden leggen. Bovendien bleef er van gemeenschappelijk kloosterleven niet veel meer over, zeker niet, zolang de staties slechts door een of twee Dominicanen bemand werden.
Ook diende zich direct de juridische vraag aan, hoe deze parochiepaters zich moesten verhouden tot degenen, die de eerst aangewezenen waren om parochiewerk te verrichten, de seculiere geestelijkheid.
Er laaide een conflict over op in Schiedam (1616 -1623). Dit zal het kerkpolitieke denken van de paus sterk beïnvloeden. En de invloed van Schiedamse regentenfamilies leverde een eigen bijdrage aan deze ontwikkelingen.

Oud katholiek
De tegenstelling tussen seculiere geestelijkheid en de paters zal tenslotte uitmonden in de scheiding tussen de rooms katholieke kerk en de oud katholieke kerk. De meer internationaal georiënteerde Dominicaan zal trouw blijven aan Rome, terwijl de sterker met de plaatselijke bisschop verbonden seculiere pastoor in de afscheiding zal meegaan. Vanaf dat ogenblik zal de statie van de Dominicanen lange tijd de enige Rooms katholieke parochie in Schiedam zijn.
Tussen 1700 en 1800 waren economische veranderingen in Schiedam er de oorzaak van, dat de katholieke gemeenschap sterk groeide. Ondanks dat landswetten en stadsregering het katholicisme tot een schaduwbestaan wilden dwingen. De opkomende jeneverindustrie lokte zeer veel arbeiders naar Schiedam, vooral uit Duitsland en velen van hen waren katholiek.
Pas rond 1795 kregen de katholieken vrijheid van godsdienst. De ideeën van de Franse revolutie over 'vrijheid, gelijkheid en broederschap' begonnen door te werken Maar daar moesten de katholieken in Schiedam aan wennen (De reformatorische christenen trouwens ook).
Onderstaande verhalen willen laten zien, hoe de kerkelijke golfbewegingen in Schiedam samenhingen met stormachtige ontwikkelingen op Europees niveau. Soms zal meer de nadruk worden gelegd op de grotere achtergrond, soms meer op de speciale situatie in Schiedam. Hopelijk lukt het zo om de lezer een merkwaardig kraaltje te laten zien - vierhonderd jaar katholicisme in Schiedam - dat toch deel uitmaakt van een heel grote ketting, de Europese kerkgeschiedenis.

 

naar boven


750 jaar katholiek Schiedam in vogelvlucht

Met grote schoenen gaat de auteur door de kerkgeschiedenis, bezien vanuit het kleine Schiedam. Hij leidt ook de verhalen in die hierna nog volgen.

Het is het jaar 1964. Ik zit in onze huiskamer op de Nieuwe Sluisstraat te werken aan een doctoraalscriptie over katholiek Schiedam. Op tafel ligt een fotokopie van de stadskaart van Jacob de Gheyn, vervaardigd in 1598. Ik vraag mijn moeder: 'Weet u waar de Kruisstraat ligt?' 'Ja natuurlijk', zegt ze, 'dat is de Korte Dam'. 'Hoe weet u dat?', roep ik verbaasd. 'O, jouw grootmoeder zei altijd: 'Ga eens een brood halen op de Kruisstraat'.
Ineens worden vierhonderd jaren religieuze geschiedenis overbrugd, want het wegenkruis, waaraan de Kruisstraat haar naam ontleende, stond op het punt, waar Dam en Hoogstraat elkaar raakten, maar was in 1572 bij de beeldenstorm verwijderd.
Daarna werd de naam van dat straatje dus 'Korte Dam', maar in het geheugen van katholieke Schiedammers leefde de herinnering voort en vierhonderd jaar later klonk de echo nog na.

Schiedammers en hun God
Rond 1250 leefde, woonde en werkte een klein groepje mensen bij de dam in de Schie, vissers, sjouwers, boeren, handelaars. Gravin Aleida had een bolwerk nodig en wilde dit groepje daarom wat stabiliteit geven. Zij maakte er dus een stadje van. Zij gaf dit nederzettinkje een 'ziel' in de vorm van een kerk, een begijnhof en een gasthuis.
De kerk was en groeide uit tot wat wij kennen als de Grote of Sint Jans-kerk. Hij werd op 21 juni 1271 geconsacreerd door wijbisschop Emundus van Utrecht. Na een grote uitbreiding en nieuwbouw consacreerde bisschop Zweder van Kuilenburg in 1425 de kerk opnieuw en wijdde hem toe aan Johannes de Doper.
Het begijnhof dat bij het Oude Kerkhof lag, was een interessant initiatief van gravin Aleida. Wij denken bij het woord 'begijntjes' aan vrome en een beetje wereldvreemde nonnetjes. Maar in de twaalfde en dertiende eeuw was dit beslist wat anders! Begijnen waren vaak zeer geleerde en ondernemende vrouwen, die niet wilden terechtkomen in de situatie van echtgenote, die als enige 'rechten' de vier B's had: 'bidden, baren, boenen, bek houden', en dat in totale afhankelijkheid van de man. Zij wilden zelfstandig en ongehuwd blijven en kozen daarom voor de samen-levingsvorm van het begijnhof. Prachtig, dat een vrouw als gravin Aleida hier oog en hart voor had!
Grote mystica en schrijfsters als Hadewijch en Beatrijs van Nazareth (rond 1240) waren begijnen en haar geschriften werden in vele begijnhoven gelezen en becommentarieerd. De officiële kerk had vaak heel wat moeite met die vrije, religieuze vrouwen en haar positie. Het duurde echter nog eeuwen voordat de kerkelijke regelgeving de invloed van deze vrouwen had teruggebracht tot wat wij nu onder 'vrome begijntjes' verstaan.
Het gasthuis was een ander wezenlijk deel van het christelijk geloven. De naam is al zeer spiritueel. Zieken, reizigers en behoeftigen werden beschouwd als gasten. Het was de Heer Jezus Christus zelf, die in hen voorbijging. 'Wat je de minste der mijnen gedaan hebt, heb je mij gedaan'. De naam St. Jacobs-gasthuis geeft aan, dat het ook een rustpunt was op een van de bedevaartswegen naar het befaamde heiligdom van St. Jacobus te Compostella in Noord-west Spanje.
In de loop der jaren kwamen er binnen de stadswallen nog enkele kloosters voor vrouwen en mannen bij: het St. Annaklooster (Sint Annazusterstraat), St. Ursulaklooster, het Kruisbroedersklooster (Broersvest, Broersveld) en het klooster 'Leliëndaal' (Lange Achterweg). In dit klooster was het altaar van Liduina. Rond 1500 was hiermee het middeleeuwse, katholieke karakter van een stadje als Schiedam compleet.

Godsbeleving
Hoe beleefden die paar duizend laatmiddeleeuwse stadsbewoners hun relatie met God? Het is niet eenvoudig om dat in onze tijd na te voelen. Ik waag een poging.
De vorm van de gotische Marktkerk geeft een aanwijzing. God is ver vooraan in het priesterkoor van de kerk. Zoals bij een middeleeuwse keizer of koning, is Hij is majestueus en ver weg, bijna niet te bereiken.
Zijn eerbetoon speelde zich af op het verheven en veraf gelegen Hoogaltaar, in vreemde liturgische vormen, met mannen in plechtige gewaden en in een vreemde taal: het Latijn. Priesters hadden ervoor gestudeerd om deze hof-eredienst op de juiste manier te volbrengen. Vaak was dit ook het enige, waarvan zij iets wisten!
De gewone gelovigen bevonden zich in het grote schip van de kerk en werden dikwijls vanaf de preekstoel bezig gehouden door predikanten, die vrome verhalen vertelden. Een van die predikanten was de Franciscaan pater Brugman, die ook in Schiedam optrad en een vurige vereerder was van St. Liduina. Hij schreef een boek over haar leven. De uitdrukking: 'praten als Brugman' verwijst nog naar hem. De Brugmanstraat heeft zijn naam aan deze prediker-schrijver te danken.

Maria en Liduina
Op de gewone mensen zal de liturgie rond het hoogaltaar een magisch-plechtige, afstandelijke indruk hebben gemaakt. Zij hadden een meer nabije, een meer menselijke toegang tot het Goddelijke nodig. Die poort leverden de heiligen. Zij waren de brug naar de oneindig verheven God, de helpers en voorsprekers in dagelijkse behoeften en noden, de nabijheid van het sacrale. Middeleeuws Schiedam kreeg twee heiligen, die als poort naar de goddelijke wereld konden dienen, Maria en Liduina.

Middelares aller genade,
o, lieve Vrouwe van Schiedam,
die onze stad voor vele jaren
tot uw geliefde woonplaats nam.

Dit heb ik als kind nog gezongen bij het grote Mariabeeld in de zijkapel van de Havenkerk. Dit beeld was een verre opvolgster van het wonderbare beeldje, dat - zo vertelt een ontroerende middeleeuwse legende - in een bootje onze stad aandeed, maar toen niet meer wilde vertrekken, hoezeer de schipper er ook zijn best voor deed.
En dan Liduina: onze eigen heilige! Geboren op 18 maart 1380, Passiezondag. Als kind werd zij, na een val op het ijs door een ongeneeslijke ziekte getroffen.
Voor zieke en lijdende mensen was zij herkenbaar. Het lijden had haar zo verschrikkelijk murw gemaakt, dat de vloer van alle levenszekerheid kapot brak. Zij viel in de afgrond van duisternis en het niet meer kunnen bevatten; van leegte en van niets, in de handen van de onbegrijpelijke en onnoembare, van God zelf, het mysterie, in zijn duistere, maar soms ook lichtende werkelijkheid. Zo werd zij een mystica, die voor velen raadsvrouw en vertrouwelinge was. Wondere verhalen deden in Schiedam over haar de ronde. Na haar dood was zij voor Schiedammers een heilige, of 'Rome' haar nu heilig verklaarde of niet!

Had Amsterdam een Stille Omgang, Schiedam deed hier niet voor onder. Omdat na de Reformatie openbare processies in de stad verboden waren, trokken wij rond 14 april, de dag van haar sterven, in lange stille rijen door de straten, waar zij gewoond had en waar zij de val op het ijs maakte, met als eindpunt de St. Liduinakerk.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog hing bij ons thuis, zoals bij zo vele katholieke Schiedammers, een afbeelding van Liduina. Zij knielt en strekt haar handen beschermend uit over Schiedam, terwijl bommen uit de duistere hemel vallen.(Aquarel: J. Schmiermann).

Na de beeldenstorm (1572) werd een deel van haar gebeente heimelijk weggehaald en naar Vlaanderen gebracht (1615). De vraag is overigens wel, of de opgravers het juiste gebeente gevonden hebben. De Singelkerk (inmiddels Liduinabasiliek) herbergt nu deze erfenis en ook het in 1950 door Charles Vos vervaardigde zilveren beeld.

Beeldenstorm en reformatie
Deze katholieke levenswereld veranderde definitief en radicaal tussen 1560 en 1620. De St. Janskerk werd van alle beelden ontdaan en aan de calvinistische eredienst toebedeeld. Kapellen en kloosters werden gesloten. Kloosterlingen mochten geen nieuwe leden aannemen. De katholieken verdwenen bijna totaal van de kerkelijke kaart van Schiedam. Hierop komen wij in een volgend verhaal terug. (pgn. 11 e.v.).
Maar een burgemeestersweduwe uit een zeer invloedrijke en kapitaal-krachtige familie: Mevr. Van der Burch - van Smalevelt, was van die reformatorische alleenheerschappij niet gediend en je moest een heel stevige dominee zijn om haar te kunnen dwarsbomen. Zij wenste een priester 'voor haar en voor de stad Schiedam.'
De stadsregering kon en wilde haar verlangen niet in de weg staan. Zij was immers lid van een zeer invloedrijke patriciërsfamilie en had rond 1615 op eigen kosten de stadswallen van Schiedam laten renoveren! Ook deze vrouw en haar werken voor katholiek Schiedam is een uitvoeriger verhaal waard (pgn. 17 e.v., pgn. 22 e.v.).
Voor nu is het voldoende te weten dat die priester er dus kwam. Hij woonde en werkte bij de weduwe Van der Burch in huis, het patriciershuis: 'Het huys te Poort' op de Dam. Eerst een seculier 1) priester (1611), daarna een pater 1) Dominicaan uit Antwerpen (1616).
Na enige tijd had de seculiere priester een schuilkerk in het 'Huys te Poort' en de Dominicaan er recht tegenover, tussen Dam en Korte Haven, waar later, tot ongeveer 1970, het pakhuis van 'Kappelhof en Hovingh' stond.

Grote parochies
De jeneverindustrie zal in de zeventiende en de achttiende eeuw vele katholieke arbeiders uit Duitsland naar Schiedam lokken, zodat de beide schuilkerken tot grote parochies uitgroeien.
Helaas gingen beide parochies uit elkaar. Tijdens een ingewikkeld conflict koos de seculiere priester voor de bisschoppelijke suprematie, terwijl de veel meer internationaal georiënteerde Dominicaan voor de pauselijke heerschappij koos. Het gevolg was: oud katholiek tegenover rooms katholiek.

Na de Franse tijd kregen de katholieken hun vrijheid van godsdienst weer terug. De rooms katholieke kerk aan de Korte Haven was zo bouwvallig geworden en het aantal gelovigen zo gegroeid, dat in 1822 een nieuwe kerk gebouwd moest worden. Het werd de 'Waterstaatskerk' aan de Lange Haven: een van de fraaiste voorbeelden van door ingenieurs van Rijkswaterstaat ontworpen kerken. Over de moeizame totstandkoming van dit gebouw, een uitgebreid verhaal (pgn. 31 e.v.)
Uitbreiding van de stad door nieuwbouw en de groei van het aantal katholieken in Schiedam noodzaakten in de negentiende eeuw de bouw van de Liduinakerk aan de Nieuwe Haven en de Rozenkranskerk aan de Singel. De H. Hartkerk in de wijk de Gorzen stamt uit de twintigste eeuw. Zo gingen de rooms katholieke Schiedammers een nieuwe tijd van crisis tegemoet: de Tweede Wereldoorlog, 1940-1945.

De Tweede Wereldoorlog en daarna
Als kind heb ik zelf meegemaakt, wat een parochiekerk in het leven van Schiedammers betekende. Hij was heel wat meer dan alleen een bedehuis. Hij was sociaal contactpunt en bood culturele vorming door concerten en toneelvoorstellingen. Processies gaven de kinderen gelegenheid tot schitterende verkleedpartijtjes. Er werd sociale hulp gegeven. De verkennerij was door de bezetter opgeheven, maar de parochie organiseerde nu jongerenverenigingen onder kerkelijke vlag:
de Sint-Jansknapen en het gildekoor. Er waren misdienaarsreisjes, er werd scholing geboden.
De Havenkerk was ook een van de weinige plaatsen waar soms het vrije woord nog functioneerde. Zo werd hier de brief van de Nederlandse bisschoppen voorgelezen (1942) waarin fel geprotesteerd werd tegen de jodenvervolging. Wij mochten niet applaudisseren - wellicht waren er verraders in de kerk - maar stampten dus zo hard mogelijk op de vloer. Je kreeg er koude rillingen van. Hoogtepunt van deze tijd was voor mij de viering kort na de oorlog, waarin de door de Duitsers geroofde klokken weer werden ingewijd en voor het eerst werden geluid en wel binnen, in het kerkgebouw. Nog nooit is de bevrijding voor mij een zo luide en voelbare werkelijkheid geweest als op dat ogenblik; letterlijk: voelbaar!
Maar ook de sociale ongelijkheid was schrijnend duidelijk aanwezig. Vooraan, op pluche stoeltjes, zaten de rijken en notabelen. Dan de lange rijen houten banken voor de middenstand. Achteraan de 'gruttersbanken' voor de stokers, vlak bij de deuren, zodat zij ongemerkt konden vertrekken, als hun werk bij de ovens nodig was. Wij zaten in een en hetzelfde Godshuis, maar er was verder weinig contact tussen de verschillende standen.

Onkerkelijkheid
In de jaren zestig van de vorige eeuw groeide Schiedam enorm en de vernieuwde katholieke kerk groeide mee, in vormgeving en in nieuwe gebouwen. De liederen van Huub Oosterhuis veroverden de liturgie. Jongerenkoren en gespreksgroepen verlevendigden het leven in de parochies. Pastorale werkers en werksters deden hun intrede. De bomen leken tot in de hemel te groeien…
Toen kwamen wij terecht in de tijd van toenemende onkerkelijkheid, in de tijd van nu. Kerkgebouwen werden gesloopt of verkocht en dat deed vaak emotioneel meer pijn, dan verwacht. De parochies werden kleiner en grijzer. Het aantal pastores liep dramatisch terug. Onderlinge verdeeldheid verzuurde soms de relaties tussen individuele parochianen en tussen parochies. Heel veel Schiedammers zeiden het vele Nederlanders na: 'Het zegt mij allemaal niks meer'.
In Nieuwland werden in de zestiger jaren twee grote kerken gebouwd, die ieder zeshonderd gelovigen konden bevatten. Nu is er nog één klein kerkje voor maximaal tweehonderd zielen. Over dit kerkje, en over de kerkenbouw in het algemeen, lees pgn. 36 e.v.

Hoe zal het verder gaan met katholiek Schiedam en zijn God? Zal ook bij ons binnenkort een boek kunnen geschreven worden, zoals Geert Mak deed over dat Noord Nederlandse dorp Jorwerd: 'Hoe God vertrok uit Schiedam…' of misschien: 'Hoe God Allah werd in Schiedam?'
Wie het weet, mag het zeggen.

Noten

1) Seculier priester: priester in dienst van een bisdom en direct met de plaatselijke bisschop verbonden. Een 'pater' of 'regulier priester' is lid van een kloosterorde en dus verbonden met eigen nationale en internationale oversten.

Voor deze verhalen heb ik onbeschroomd gebruik gemaakt van allerlei bronnen. Ik noem er een paar:

A) J. HUIZINGA: 'Herfsttij der Middeleeuwen'. 1919.

B) 'Ach, lieve tijd'. Schiedam, 750 jaar ziel en zaligheid.
Waanders, uitgevers, in samenwerking met het gemeentearchief Schiedam.

C) ROEL BOSCH: 'Schiedammers van overal en nergens en hun kerken'. Schiedam, 1992.

D) LEON. RAPH. DE JONG o.p. Schiedam tussen oude en nieuwe religie. De komst van de Dominicanen in Schiedam, 1616.
Reeks artikelen in historisch tijdschrift Scyedam, uitgegeven door de Historische Vereniging Schiedam, jaargang 1980.

E) S.P. WOLS o.p.: 'Geschiedenis van de Dominicanen te Rotterdam'. Uitgegeven door 'Het Steiger', Hang 17, Rotterdam, 1985.

F) LEON. RAPH. DE JONG o.p.: 'Havenkerk 1824 - 1964'. In Historisch tijdschrift Scyedam.

G) Nadere details, die ik van het gemeentearchief van Schiedam en van anderen ontving

(Verschillende gegevens zijn eerder gepubliceerd in tijdschrift: Scyedam).

 

naar boven

 

Verscheurde christenheid, ook in Schiedam

In de zestiende eeuw ontstond de reformatie, een protest-beweging die een kerkscheuring tot gevolg had.
Wat waren de oorzaken, en wat gebeurde er concreet in Schiedam in die tijd?

Het ideaal dat Jezus van Nazareth aan zijn volgelingen voorhield, is van een zo stralende eenvoud, dat het ons, gecompliceerde mensen, erg veel moeite kost. Ik denk dan aan woorden als: 'Bemin de naasten als uzelf', 'Vergeef uw medemens zeventig maal zeven maal'. 'Deel al wat u aan rijkdom hebt met de armen'. 'Het is beter om te dienen dan om gediend te worden'. 'Wees even bevrijdend en humaan als de God, in wie je zegt te geloven en Wiens heilige Naam is: Ik-zal-er-zijn-voor-jullie'.
'Wees volmaakt, zoals uw hemelse Vader volmaakt is'.
Ga er maar aan staan.
Dus sloten en sluiten wij voortdurend compromissen met God. Wij luisteren een beetje, maar het moet nu ook weer niet al te zwaar voor ons worden! Ons gelovig bestaan is geweven uit 'zwaartekracht en genade'.1) Vaak wint de zwaartekracht het met ruime voorsprong van de genade.
Protestbewegingen zijn dus erg heilzaam binnen het christendom. Zij stellen keihard heldere vragen als: Is dit het nu, wat Jezus van Nazareth bedoelde? Hoe zou de Christus reageren, als hij ons nu zo in kerk en samenleving bezig zag?
Deze protestbewegingen zijn ketters, in de oorspronkelijke betekenis van het woord. Dit begrip komt van het Griekse woord Katharos en dat betekent: zuiver, puur, rein. Protesterende christenen willen de kerk zuiveren en de modder wegwassen die er gedurende de gang door de tijd steeds weer aan vast blijft kleven.
Veel van die protestbewegingen zijn nu nog zichtbaar in de kerk: zij zijn uitgegroeid tot kloosterordes voor mannen en vrouwen. Door het ontstaan van deze kloosterordes is het vaak gelukt om de oppositiebeweging binnen de kerk te houden. Soms werden de spanningen zo groot, dat de christenheid scheurde. Dit bracht onvoorstelbaar veel ellende met zich mee, want nu stonden, zogenaamd 'in Naam van God', mensen tegenover mensen. Veel oprecht gelovende priesters, kloosterlingen en gelovigen meenden echt de andersdenkenden te mogen vervolgen, afstraffen, zelfs ter dood brengen om daarmee de ware God te dienen en zijn eer te handhaven!

Staatsgodsdienst
Het begon allemaal bij keizer Constantijn. Toen deze veldheer het hele Romeinse rijk aan zijn macht had onderworpen (313 na Chr.) wilde hij dit wat vermolmde instituut nieuw leven inblazen door het jonge en vitale, maar vaak vervolgde christendom tot bevoorrechte godsdienst van het rijk te maken. Dat christendom groeide daardoor al snel uit tot een staatsgodsdienst, iedere Romein moest christen zijn. Met name de vele joden in het rijk ondervonden hier prompt de weerslag van. De discrimi-nerende wetgeving loog er niet om. 2)
Achter dit idee van staatsgodsdienst zat ook wel een ideaal. Wat zou het mooi zijn, als alle mensen in eenheid en vrede met elkaar zouden leven, binnen één rijk, binnen één beschaving en godsdienst. Het zou zo een soort 'Rijk van God op aarde' kunnen worden: vrede op aarde aan alle mensen van goede wil.

Macht
De werkelijkheid was uiteraard heel wat modderiger. Wie bezwaren had tegen de regering had prompt ruzie met de kerk (en dus met God, zei men). Wie het niet eens was met kerkelijke regels of praktijken, liep gevaar de staatsmacht als een wals over zich heen te krijgen. Christendom werd met macht gecombineerd, ondanks het feit, dat Jezus van Nazareth hiertegen zo gewaarschuwd had. En de regering sanctioneerde haar optreden met het geestelijke gezag van de kerk.
Er waren soms christenen, die als echte profeten de staatsmacht tot de orde durfden te roepen. Zo durfde bisschop Ambrosius van Milaan (390) het aan om de keizer toegang tot het kerkgebouw te ontzeggen vanwege een moordpartij.3) Maar uiteraard waren dat schitterende uitzonderingen, en Ambrosius kon het zich veroorloven want hij behoorde tot de hoogste Romeinse kringen.

Maarten Luther
In de daarop volgende eeuwen ging dit voor de meeste protesterenden niet op. Zij liepen prompt (levens)-gevaar. Dat gold ook voor Maarten Luther, die protest aantekende tegen de wel heel grove manier, waarop sommige Dominicanen (!) geld probeerden in te zamelen voor de bouw van de
Sint Pieter in Rome (1517) . Deze predikers speelden in op de sterke gevoelens van angst voor God in die tijd. Luther verzette zich hiertegen en dank zij de pas ontdekte techniek van de boekdrukkunst gingen zijn ideeën als een lopend vuurtje door Europa. De jonge keizer Karel de Vijfde voelde zich verplicht de banvloek over hem uit te spreken, maar dank zij machtige vrienden wist Luther de dans te ontspringen.
De kerkscheuring was echter een feit. Later zal Calvijn voor de kerkelijke protestbeweging een reglement opstellen en een goede organisatie opzetten, die tegenwicht kon bieden aan de rooms katholieke hiërarchie. Maar ook de eenheid in het protestantisme ging spoedig verloren.
Het gevolg was natuurlijk wel, dat wie zich in de Nederlanden verzette tegen de staat, direct problemen had met de rooms katholieke staatskerk en zich bijna automatisch moest verbinden met de protesterende partij: de protestanten. Dit zal een belangrijk element zijn in onze vrijheidsstrijd tegen de dictatoriale grootmacht Spanje (1568 - 1648), het land, waar rooms katholicisme en staatsmacht tot een twee-eenheid waren uitgegroeid.

De heerschappij van Spanje
Sinds 1500 ontwikkelde zich de koninklijke macht in Spanje tot een absolute alleenheerschappij. Het begon al onder Karel de Vijfde (1500 -1555). Deze was geboren in Gent, verbleef vaak in de Nederlanden en onderhield redelijk goede contacten met de hoge Nederlandse adel, zoals met de jonge prins Willem van Oranje. Dit veranderde onder koning Philips de Tweede. Deze verhuisde definitief naar Spanje (1559) en regeerde van daaruit ook over onze streken, zonder rekening te houden met in de eeuwen gegroeide rechten van steden en provincies.
Zijn plaatsvervanger zetelde in Brussel en Mechelen en het regende daar klachten. Mensen tekenden verzet aan, bijvoorbeeld tegen het opzij zetten van rechten en tegen de hoge belastingen. Vooral de lagere adel wierp zich op als protestgroep. Die edelen hadden vroeger hun geld verdiend als beroepsofficieren in het leger, maar nu was er een Spaans elite-leger, bestaande uit huurlingen. die door de koning betaald werden en aan hem loyaal waren. 'Wiens brood men eet, diens woord men spreekt'. De lagere edelen in onze streken kwamen zo zonder werk te zitten en verarmden. Zij maakten zich tot spreekbuis van de ontevredenheid. Zij pleitten voor godsdienstvrijheid en meer inspraak. Zij pleitten echter voornamelijk voor hun eigen portemonnee! De regering in Brussel had dat heel goed in de gaten. 'Il ne sont que des geux' - het is alleen maar een stelletje bedelaars - fluisterde een minister de landvoogdes in de oren, toen een grote groep edelen een smeekschrift kwam aanbieden (1565) Heel cynisch namen de ontevredenen dit scheldwoord over als een erenaam: 'de geuzen'.

Beeldenstorm
Maar ook de ontevredenheid en de armoede onder het gewone volk werden steeds verschrikkelijker. Plotseling sloeg de vlam in de pan. Er braken relletjes uit, die zich vooral tegen de kerkgebouwen richtten, omdat deze gezien werden als het meest duidelijke symbool van maatschappelijk onrecht.
Ook in Schiedam barstte de bom en zo moest de St. Janskerk bij de grote Markt het ontgelden. Groepjes opstandige Schiedammers richtten in augustus 1566 een ravage in het kerkgebouw aan. Tussen augustus en december 1566 werden in de Marktkerk protestantse erediensten gehouden. Bij deze eerste openlijke botsing werd Clemens Hueckenhorst, pastoor van de kerk (Norbertijner pater uit de abdij Marienweerd bij Culemborg) verdreven. De kapelaan van de stadskerk had al eens een waarschuwing van de stadsregering gekregen, dat hij in zijn prediking trouw moest blijven aan de katholieke leer en op moest houden met zo te schelden op religieuze zaken en personen. De stadsregering was van dit soort sociale onrust absoluut niet gediend en trachtte de orde te herstellen. Pastoor Clemens Hueckenhorst kwam terug op zijn post en de rust leek weergekeerd.

Elitetroepen
In het verre Spanje was koning Philips de Tweede woedend geworden. Voor eens en voor altijd wilde hij een einde maken aan al die godsdienstige onrust, al dat geprotesteer en al dat verlangen naar vrijheden. Hij stuurde het machtigste leger, dat Europa toen kende, op onze gewesten af. Deze elitetroepen stonden onder commando van de hertog van Alva.
In keiharde processen werden onruststokers berecht door de 'Raad van beroerten', de 'Bloedraad', zoals zij door het volk werd genoemd. Zelfs prins Willem van Oranje en de graven van Egmond en Hoorne, vrienden van Karel de vijfde, werden ter dood veroordeeld, omdat zij het absolutisme van de Spaanse koning niet wilden accepteren. Het feit, dat zij leden van de hoge adel waren en, zoals koning Philips de Tweede zelf, lid van het Gulden Vlies, de hoogste ridderorde die het Spaanse rijk kende, kon het doodvonnis niet verhinderen. Egmond en Hoorne werden onthoofd.
Willem van Oranje wist de dood te ontkomen door naar Duitsland te vluchten. Met de moed der wanhoop probeerde hij daar tegenaanvallen op de troepen van Alva uit te voeren, maar zonder succes. Het kostte Willem zijn hele vermogen.

In naam van oranje
Toen vond er een merkwaardige gebeurtenis plaats, die eerst onbelangrijk leek, maar ineens als een katalysator de verandering in gang zette. De geuzen, die zeerovers waren geworden om aan de kost te komen, werden uit Engeland verdreven en zochten een nieuwe haven. Op 1 april 1572 veroverden zij Den Briel en gaven aan die inname een tintje van wettelijkheid, door te beweren, dat zij dit deden 'in naam van Oranje'.
Hier en daar waagden sommige steden in Holland en Zeeland nu ook de stap en kwamen in opstand tegen Spanje. Dit gold niet voor Schiedam.
Eind juli 1572 veroverden de geuzensoldaten onder leiding van Bartold Entens de Mentheda de stad en pas vanaf dat moment kozen de Schiedammers noodgedwongen de zijde van de prins van Oranje.
Weer werden er in de Marktkerk verwoestingen aangericht. Ook de kloosters en kapellen van de stad moesten het ontgelden. In de maand december 1573 dwongen de geuzen twee zusters van het
St. Annaconvent de religieuze kleding af te leggen en sloten hen enige tijd op in de gevangenis. Half februari 1574 vernamen enkele geuzen, dat er zich in Schiedam nog een priester ophield: de ongeveer zestigjarige Gerrit Jacobsz. Zij overvielen hem 's nachts in zijn huis en er volgde een mishandeling, die hem een paar dagen later het leven kostte. Hij overleed in Delft, waar hij met een bootje naar toe was gebracht.
Eind maart 1574 drongen de geuzen vanuit Schiedam Vlaardingen binnen en vermoordden er de koster van de kerk. De stadsregering probeerde zich tegen deze gewelddadigheden te verzetten, maar had tegen de geharde geuzensoldaten geen schijn van kans. 4)

Willem van Oranje en de geuzen
De prins was het met dit optreden absoluut niet eens, maar hij was afhankelijk van de geuzensoldaten, want in de beginperiode van de opstand had hij nauwelijks andere strijdkrachten. Willem van Oranje vocht voor de vrijheid van de Nederlanders, ook voor de vrijheid van godsdienst. Het laatste wat hij wilde was een nieuwe staatskerk, nu onder leiding van dominees. De meeste regenten in de steden van Holland waren het in deze met hem eens, ook in Schiedam. De prins kwam in de eerste maanden van de opstand vanuit Duitsland naar Delft om leiding te geven aan de opstandige provincies en om desnoods 'te sterven met zijn mensen', zoals hij aan zijn familie schreef.
Alva begon met het tegenoffensief. De stad Naarden werd zwaar gestraft. Toen was Haarlem aan de beurt. Na Haarlem trachtten de Spaanse troepen Leiden in te nemen om zo het gebied van de opstand in twee delen te splitsen. Spaanse soldaten kwamen nu tot vlak bij Schiedam. Zo waren er gevechten bij de Poldervaart. Dat deze oorlog tegen het leger van Alva toch lukte, ondanks zware verliezen, is te danken aan het water. Hele gebieden werden onder water gezet en daarom moesten de Spaanse troepen de belegering van Leiden opgeven en zich via Amsterdam naar Utrecht terugtrekken. Na het 'ontzet van Leiden' was de dreiging voorbij.
In deze periode van zijn leven groeide Willem van Oranje uit tot een indrukwekkende persoonlijkheid en een goed politicus, die veel leed en teleurstellingen te incasseren kreeg. Hij was een gelovig mens, maar boven alle kerkelijk geruzie uitstijgend. 15
Toen hij door Balthazar Gerards op 10 juli 1584 in Delft werd vermoord, prezen zowel dominees als priesters hun God, ieder op de eigen preekstoel! Willem de Zwijger was blijkbaar ook in dit opzicht voor vele tijdgenoten te groots. Men vertelde, dat zijn laatste woorden een gebed waren: 'Mon Dieu, ave pitié avec moi et avec mon pauvre peuple'. (Mijn God, heb medelijden met mij en met mijn arme volk).

Noten

1) Titel van een boek, geschreven door de frans-joodse mystica en geleerde Simone Weil.

2) Zo werden al op het eerste algemene Concilie, dat van Nicea (325), de joden tot tweederangs burgers verklaard en hun godsdienst zwaar gediscrimineerd.

3) Zie: ´Historische W.P. encyclopedie´. Amsterdam, 1957, blz. 207

4) De pastoor van de Grote kerk: Clemens Hueckenhorst, ontvluchtte in de maand juli1572 Schiedam en trok met Spaansgezinde soldaten, die Rotterdam en Schiedam verlieten, mee naar Utrecht en Amersfoort. Bij de nadering van het Spaanse leger verhuisde hij naar 's-Gravenzande (5 october 1572), waar hij enige tijd in stilte bij de pastoor leefde en afwachtte, hoe de situatie zich zou ontwikkelen. Geldgebrek deed het plan bij hem opkomen om terug te keren naar zijn abdij in Culenborg. Maar toen hij in Culenborg kwam, werd hij gevangen genomen door Spaansgezinden en overgebracht naar Buren. Na langer dan een jaar gevangen gezeten te hebben - men verdacht hem ervan de protestantse leer aan te hangen - ging hij naar Huissen, toen behorend bij het land van Kleef. Op 26 februari 1580 was hij daar nog steeds en gaf er kinderen les in de nieuwe religie.
Een vetpot was dat blijkbaar niet, want op die datum verzocht hij de prins van Oranje om de ontvanger van de in beslag genomen goederen van zijn vroegere abdij Marienweerd te gelasten, hem jaarlijks het bedrag van 300 gulden uit te keren. Van de rebelse kapelaan van de Marktkerk ontbreekt verder elk spoor.

 

naar boven


Een burgemeestersweduwe die er wezen mocht

De rooms katholieke godsdienst was na de reformatie niet langer geoorloofd. Maar in Schiedam zeurde de weduwe van de burgemeester net zolang totdat er een eigen pater uit Antwerpen kwam. De eerste Dominicaan in deze stad.

Eind 1572 was het dus zover: Schiedam was losgebroken uit de macht van Spanje en uit de alleenheerschappij van de rooms katholieke kerk, die door de Spaanse macht werd opgelegd. De stad hoorde nu bij de gebieden die in opstand waren. En in die streken was de 'Nieuwe Religie': de 'Gereformeerde kerk' de enig geoorloofde godsdienst. Betekende dit, dat de meerderheid van de Schiedamse bevolking van het ene jaar op het andere protestant werd? Absoluut niet!
Wel was het officieel verboden om nog deel te nemen aan de katholieke eredienst. Weinigen lieten daarom blijken, dat zij actief lid wilden blijven van de rooms katholieke kerk. De meeste mensen wachtten af…

Een paar getallen
Met behulp van allerlei bronnen kunnen wij het volgende beeld opmaken van de godsdienstige situatie te Schiedam gedurende de vijftig jaren tussen 1572 en 1622.
Eén groep was overtuigd protestant. Dit groepje werd snel uitgebreid met mensen die afhankelijk waren van kerkelijke fondsen, omdat zij te arm waren om zelfstandig rond te komen. Deze fondsen kwamen uiteraard in protestantse handen. De gereformeerde gemeente was aanvankelijk erg arm. Zo was men niet in staat zelf de Marktkerk te repareren na de ravage, die door de beeldenstormers was aangericht. In 1577 moest men zelfs een van de klokken verkopen om aan geld te komen. Het kerkgebouw bleef veel onderhoud vragen. Dus werd in 1631 door de protestantse kerkenraad subsidie aangevraagd bij de Staten van Holland. In dit verzoek vermeldde zij tevens, dat er ruim 1300 mensen lid waren van hun kerk. In die tijd telde Schiedam ongeveer 6000 inwoners, dus één op de vier Schiedammers was rond 1630 gereformeerd.
Een kleinere groep was lid van een andere protestantse kerk, de 'Wederdopers' of 'Mennisten', maar dat zullen er niet meer dan een paar honderd geweest zijn.
Wat was de kerkelijke kleur van de overige vierduizend inwoners?
Wij weten dat rond 1610 zich ongeveer 150 Schiedammers als rooms katholiek durfden tonen. Een enkele keer kwamen zij samen om de H. Mis te vieren, als er een priester uit Delft langs kwam.

Soms kan dat ook een Dominicaan uit Rotterdam zijn geweest. De Rotterdamse Dominicanen waren uit hun klooster gezet, dat aan de Hoogstraat lag. Een groepje woonde nu op de hofstede 'Zijdewind' aan de Beukelsdijk. Ook zij deden in het verborgene nog wel wat zielzorg onder katholieken.

In het geheim
In Schiedam vond de katholieke eredienst plaats ten huize van een paar oudere zusters Franciscanessen, die uit het klooster van St. Ursula gezet waren. Zij hadden de benodigdheden voor de katholieke eredienst meegenomen en lieten bekenden in het geheim waarschuwen, als er een priester op bezoek kwam. Sommige katholieken gingen zelfs wel naar het gebied aan de overzijde van de Maas, waar de familie De Grijp op het kasteel van Valckesteyn en de familie Duiveland op het kasteel van Rhoon (zelfs in reformatorische kringen bekend als overtuigde katholieken) op hun kastelen gelegenheid boden voor de katholieke eredienst.
De grote meerderheid van de stadsbevolking had echter nog niet gekozen en wachtte af. Hun vraag was: durven hier in Schiedam priesters te functioneren die doorlopend aanwezig zijn (en niet zo nu en dan voor een H. Mis)? Zo niet, dan zou deze grote groep zich natuurlijk bij de officiële gereformeerde godsdienst gaan aansluiten, want 'Je moest je kinderen toch ergens laten dopen en je overledenen toch ergens laten begraven.' Volledige onkerkelijkheid of atheïsme waren in die tijd nog onbekende verschijnselen.

Regenten
Zoals in andere steden van Holland was ook in Schiedam de stadsregering in handen van een klein aantal machtige en invloedrijke families: de regenten.
Patriciërs die rond 1600 veel invloed hadden, waren de families Fabri, Tielman Oem, Van Smalevelt, Van der Burch en Pansser. Door huwelijken waren deze families onderling en ook met regenten uit andere steden nauw verbonden. Toen prins Willem van Oranje (1572) en prins Maurits (1618) een aantal leden van de stadsregering ontsloegen om de stad op hun hand te krijgen, kozen ze uit deze families de nieuwe burgemeesters. Maar de nieuwen waren vaak familie van de vorigen en de afgezette burgemeesters kregen soms andere belangrijke posten in de stad. Erg radicaal waren die breuken met het verleden dus niet. Dwars door alle veranderingen heen hielden de regentenfamilies de macht in handen.
Het ligt voor de hand, dat het getwist over kerkelijke problemen niet bepaald het eerste aandachtspunt van deze regenten was. Zij hadden hun handen vol aan het besturen van de stad en het beheer van hun omvangrijke zakelijke belangen of landerijen. Hun eerste en voornaamste
zorg was natuurlijk dat er orde en rust in de stad was. Vandaar dat zij rond 1565 al aan de kapelaan van de Marktkerk lieten weten, dat hij zich tijdens de preek wat minder met godsdienstige twistpunten en met kritiek op kerkelijke zaken moest bezighouden. Ook probeerden zij de beelden-stormers en de geuzensoldaten in toom te houden.

Erasmus
Er was natuurlijk geen denken aan, dat de regenten zich in 1572 van de ene maand op de andere onder het gezag van een dominee en van de gereformeerde kerkeraad zouden stellen. Zij waren degenen, die het bestuur van de stad in handen hadden en niet de dominee met zijn ouderlingen! Ze hadden moeite met de functie van ouderlingen; doodgewone burgers konden tot ouderling worden gekozen en dan kerkelijk gezag uitoefenen. Deed dat hún gezag in de stad niet tekort?
In hun godsdienstige opvattingen zullen deze regentenfamilies onder de invloed gestaan hebben van de humane en gematigde levensopvatting die in Desiderius Erasmus(1469-1536) zijn woordvoerder gevonden had. Dit leidde tot de overtuiging dat alle kerkelijke ruzies en gelijkhebberijen niet zo wezenlijk en belangrijk waren.
Dominee en kerkeraad zullen nogal eens botsen met de regenten. Ook hier speelde het oude dilemma mee. Prins Willem van Oranje en de Hollandse stadsregeringen vochten omwille van de vrijheid. Dominees en overtuigde protestanten vochten om de nieuwe, enig ware gereformeerde religie ingevoerd te krijgen.

Terugkeer
Oud burgemeester Sebastiaen Anthonisz. die in 1572 van zijn post was weggevlucht, kon in Schiedam terugkeren en voor hem werd in december 1581 speciaal het ambt van fabrieksmeester geschapen.
Ook de andere burgemeester van 1572, Eland Arienz. bleef een belangrijk persoon binnen de stadsregering, ondanks het feit, dat de gereformeerde gemeente over hem schreef dat hij de gereformeerde religie openlijk tegenwerkte.
In 1575 vaardigde de stadsregering onder de burgemeesters Arent Danckertz. van Smalevelt en Cornelis Jacobsz. Fabri de wet op de invoering van het burgerlijk huwelijk uit. Dit omdat velen weigerden om in de gereformeerde kerk hun zondagse verplichtingen na te komen, laat staan, dat zij hun huwelijk door een dominee zouden laten inzegenen.
19
Het is de vraag, of de in 1610 overleden burgemeester Pieter Pietersz. van der Burch ooit partij gekozen heeft tussen Rome en reformatie.
Zijn weduwe koos duidelijk wel partij! Vrijwel direct na het overlijden van haar man, ging Annetgen Ariensdr. van der Burch - van Smalevelt zich intens met de wederopbouw van de katholieke kerk in Schiedam bemoeien. Dit is trouwens tekenend voor haar karakter. Toen haar man, de burgemeester, nog leefde, kon zij - de burgemeestersvrouw - het zich kennelijk niet veroorloven om al te duidelijk haar sympathie voor het katholicisme te laten blijken. Maar direct na zijn overlijden, nam zij de vrijheid en zette haar invloed in voor de herleving van de katholieke kerk in Schiedam.

Stadsgrond
Eerst moest zij wel in het reine komen met haar geweten. Wat was het geval? Toen in 1572 de kloosters werden opgeheven, viel alle grond van de kloosters toe aan de regering en werd dus onteigend. Op zich was dat niet onlogisch. Met name het gebied binnen de veilige stadsmuren
was erg kostbaar en soms bezaten de kloosters een zeer aanzienlijk deel van die stadsgrond. Maar daarmee vergrepen de regeringen zich wel aan kerkelijke bezittingen.
De vader van Annetgen, burgemeester Arent danckertsz van Smalevelt, was voor een schappelijke prijs eigenaar geworden van een stuk grondgebied binnen de stad, dat eigendom van het St. Ursula-klooster geweest was. Zijn dochter en erfgename voelde zich hierdoor in geweten bezwaard en nam contact op met het hoofd van de katholieke kerk in onze gewesten. Zij kwamen overeen, dat zij honderd vijftig gulden aan de apostolisch vicaris zou schenken en bovendien het bedrag, dat haar vader voor dit stuk grond betaald had. Annetgen behield het vruchtgebruik.
Op 2 december 1613 gaf Annetgen van der Burgh - van Smalevelt
100 gulden aan het college in Keulen, waar priesters voor de Hollandse missie werden opgeleid. Later schonk zij aan pater Wierinx van het Jezuïetencollege in Mechelen een lantaarn, die uit het huis van St. Liduina afkomstig zou zijn.

Een priester
In 1611 'kwelde' zij de priester Bernardus van Steenwijck 1), die vanuit Delft zo af en toe enige zielzorg in Schiedam uitoefende, met haar herhaalde vragen om een priester voor haar en voor de stad Schiedam. De volgorde is interessant: zij wilde kennelijk in de gelegenheid zijn om zelf iedere zondag de H. Mis bij te wonen. De andere katholieken mochten zich dan bij haar aansluiten.
Zij vroeg dat zo indringend en zo vaak, dat er in een verslag van 'kwellen' gesproken werd!
Bernardus van Steenwijck vond een priester bereid om de zielzorg in Schiedam op zich te nemen, en wel Govert van Vliet 2) te Enkhuizen, die op dat ogenblik ongeveer 30 jaar oud was. Hij kwam in 1611 naar Schiedam en betrok een kamer in het 'Huis te Poort' op de Dam: de patriciërswoning van Annetgen van der Burch - van Smalevelt. Knappe dominee, die hiertegen iets kon uitrichten!
Toch boterde het niet zo goed tussen Annetgen en Govert van Vliet. De priester bediende vanuit zijn post in Schiedam ook de katholieken in Vlaardingen, Kethel, Zouteveen en Maasland. Daardoor was Annetgen nog steeds niet de gelegenheid om iedere zondag de H. Mis bij te wonen. Ze lliet zij de seculiere priester 'vallen' en vroeg om een Dominicaan uit het klooster van Antwerpen. Weer is in een verslag de frappante zin te lezen, die eerder al aan Bernardus van Steenwijck gericht was: een priester voor haer ende de stad…
In 1616 was het zo ver. De Dominicaan Gaspar Luypaert o.p.3) kwam uit Antwerpen naar Schiedam en ging wonen in het Huis te Poort. Govert van Vliet verhuisde noodgedwongen naar Delft, vanwaar hij nog enige zielzorg in Schiedam bleef uitoefenen.
En zo kwamen er in 1616 dus Dominicanen in Schiedam. En zij werkten en werken er nog steeds.
Waarom ging Annetgen van der Burch - van Smalevelt met haar verzoek naar het klooster van de Dominicanen te Antwerpen? Nu, zij kende dit grote en actieve klooster met zijn indrukwekkende collectie kunstschatten waarschijnlijk via haar dochter Agatha Pieterszdr. van der Burch, die in Antwerpen was gaan wonen na haar op 26 augustus 1612 te Schiedam gesloten huwelijk met Johan Kyeffel, heer van Craenhem en secretaris van de stad Antwerpen.
Het proces van pastoorswisseling in Schiedam is niet erg elegant verlopen, met name niet voor de seculiere priester Govert van Vliet. Toch weerspiegelt het gebeuren in Schiedam een ommezwaai op een veel groter terrein; een verandering in de Europese kerkelijke politiek van de pausen aan het begin van de zeventiende eeuw. Annetgen van der Burch - van Smalevelt bespeelde - waarschijnlijk zonder het te weten - een belangrijke verandering in het kerkpolitieke denken van Rome. Maar dat wordt stof voor een volgend verhaal.


Noten

1) Bernardus van Steenwijck in Overijsel. Geboren in 1571 of 1572. Student aan het seminarie in Keulen: 13 maart 1593. Magister artium. Vanaf 1599 opvolger van Jan Faber als pastoor te Delft. Gestorven: 5 augustus 1612 (?)

2) Govert van Vliet. Geboren in Friesland: 1581 of 1582. Studeerde geneeskunde aan de universiteit van Keulen. In 1599 en 1600 te Delft katholiek geworden. Kwam hier in contact met Bernardus van Steenwijck. Studeerde in Keulen voor het priesterschap en stelde zich in 1608 ter beschikking voor de zielzorg in Holland. In 1611 bevond hij zich te Enkhuizen. Daar ontving hij het verzoek om pastoor van Schiedam te worden.

3) Gaspar Luypaert o.p. werd op 2 december 1605 ingekleed in het klooster van Antwerpen. Op 12 december 1606 legde hij er zijn professie af "op zijn negentiende levensjaar", zoals het professieboek erbij vermeldt. Op 22 september 1612 werd hij tot priester gewijd. Van 1616 tot 1636 bediende hij de katholieken in Schiedam, waar hij op 13 juli 1636 tijdens een pestepidemie overleed aan de besmetting, die hij bij het toedienen van de sacramenten had opgelopen.
In september 1629 ontvluchtte Gaspar Luypaert o.p. de zware vervolging, die in Schiedam oplaaide en ging naar zijn confrater Michael Ophovius o.p., de bisschop van 's Hertogenbosch. Tijdens zijn afwezigheid vestigde zich weer een saeculier priester in de stad: Bernardus Weserhaen of Weerhaen. Toen de Dominicaan terugkeerde, waren er dus twee staties in Schiedam. Na de dood van Annetgen van der Burch - van Smalevelt en de verkoop van het "Huis te Poort" aan Dirck Pansser (11 september 1627), - hij woonde er al enige tijd - ,huurde Gaspar Luypaert o.p. een kamer in de steeg, schuin tegenover het "Huis te Poort". Hij had zo weinig inkomen, dat hij nu eens door deze, dan weer door een andere katholiek onderhouden werd.
Merkwaardigerwijs werd veel later het "Huis te Poort" toch weer de kerk van de seculiere geestelijkheid. Nu is het de Oud katholieke kerk. Dit gebeurde nog niet tijdens het pastoraat van Bernardus Weserhaen, want die huurde een huis van de protestantse familie Kesa en had geen vast bedehuis. Ook zijn opvolger Johannes de Haes woonde elders, namelijk op de Haven, zoals blijkt uit zijn overlijdensbericht, 13 juli 1668.


naar boven


Zo kwamen er Dominicanen in Schiedam

Hoe ging het verder met de eerste pater Dominicaan in Schiedam? Hij werd door velen als een indringer gezien. Maar ontwikkelingen in kerk en politiek maakten dat hij zich stevig kon vestigen in de stad.

Juist in de periode, dat de dominicaanse missionaris Gaspar Luypaert o.p. zich te Schiedam vestigde, vaardigde de apostolisch vicaris Philippus Rovenius, hoofd van de rooms katholieke kerk in onze gewesten, een verordening uit, gedateerd: 21 augustus 1616. Hierin bepaalde hij, dat alle kloosterlingen hem onderdanig moesten zijn als aan hun eigen overste. En vooral, dat zij geen pastorale zorg mochten uitoefenen zonder toestemming van hem persoonlijk of van de seculiere pastoor ter plaatse.
Voor een goed organisator waren al die rondzwervende paters een doorn in het oog. Hoe kan je zo een kerkprovincie besturen? De dominicaan in Schiedam was voor hem een indringer en ondanks het feit, dat Govert van Vliet in Delft woonde, noemde de apostolisch vicaris hem in 1622 nog steeds de pastoor van de stad Schiedam.
Op 22 juli van dat jaar diende Philippus Rovenius bij de pauselijke nuntius in Brussel dan ook een protest in, waarin hij schreef dat: 'sommigen uit de orde der predikheren begonnen waren zich in bepaalde plaatsen van Holland binnen te dringen, vooral te Schiedam, waar de officiële pastoor moest vertrekken, omdat hij uit zijn huis gesloten was'.

Vermoorde onschuld
Nog krachtiger formuleerde de apostolisch vicaris zijn ergernis in een verslag over de toestand van de katholieke kerk in Holland (1622):
'In Schiedam zijn ongeveer 400 communicanten, die zo goed en zo kwaad als het gaat (utcumque!) bediend worden door een of andere Dominicaan, die door zich in te dringen bij een zekere rijke weduwe de pastoor van de stad min of meer uitsluit. Daarom ontbreekt hun nu een verblijfplaats en middelen tot onderhoud'.
De dominicanen van hun kant speelden in dit conflict de rol van de vermoorde onschuld. Pater And. Melijn o.p. die van 1680 tot 1710 de katholieken in Schiedam van dienst was, schreef in een verslag:
'In den jare 1616 is de edele juffr. Anna Arents van der Burg gekomen in het klooster van de paters Preekheeren binnen Antwerpen, om van den pater provinciael… te verzoeken eenen religieus om haer en de Catholyken van Schiedam te bedienen: te oorzaek, dat hunnen heer pastoor met name Govaert van Vliet hen verlaten had, alzoo hij te Schiedam niet wel bestaen en kost'.
23
Hij vermeldde verder, dat hij deze gegevens gekregen had van Sara Jans, die naast het Huis te Poort woonde en ook van andere katholieken in de stad, die het zo van hun ouders hadden gehoord. Deze beschrijving is echter niet eerlijk, ook al kan het best waar zijn, dat er in de stad Schiedam zo over het vertrek van Govert van Vliet en de komst van de eerste Dominicaan gesproken werd. Govert van Vliet moest immers vertrekken, omdat de pater Dominicaan door Annetgen van der Burch - van Smalevelt in haar huis genodigd werd en hij dus geen dak meer boven zijn hoofd had. Het vertrek van Govert van Vliet opgeven als reden voor de komst van Gaspar Luypaert o.p. maakt het gevolg van de wisseling tot de oorzaak en legt de schuld dus bij het slachtoffer!

Kerkpolitieke verandering
Gaf de paus in Rome de apostolisch vicaris Philippus Rovenius, die het wettig kerkelijk gezag in onze gewesten bekleedde, het gelijk waar hij recht op meende te hebben? Merkwaardig genoeg is het antwoord hierop: Nee. Dit wijst op een grote kerkpolitieke verandering in de houding van de paus.
De storm op de oceaan veroorzaakte golven in de baai Schiedam!
Wat was het geval? Tot 1572 waren onze gewesten steeds deel geweest van een normale kerkprovincie, die onder gezag van bisschoppen stond. Nu waren deze bisschoppen gevlucht of verdreven, voor zover zij in de opstandige streken woonden.
Het gezag van Rome handhaafde de oude situatie en gaf aan een 'apostolische vicaris' zo ongeveer het bisschoppelijk gezag over onze streken. Dit was echter bedoeld als een tijdelijke oplossing. De Spaanse troepen zouden immers de macht van Spanje en van de rooms katholieke kerk herstellen en dan zou alles weer worden als vanouds. Zo was de verwachting in Romeinse kringen. Maar juist die optimistische visie ging in rook op. De smadelijke wapenstilstand die Spanje op 9 april 1609 met de opstandige gebieden moest sluiten, bracht de neergang van de Spaanse macht duidelijk aan het licht. Zelfs de politiek wat onervaren paus Paulus V (1605 - 1621) begreep dit. In september 1609 zei hij: 'Wat het aanzien der Spanjaarden volledig vernietigd heeft, is de wapenstilstand met de Nederlanden, waardoor zij hun onmacht zelf toegegeven hebben'.

Missiegebied
Was de politiek van de paus tot dan toe gericht op het herstel van de oude situatie onder Spaans gezag, nu liet hij deze houding los en stond Rome open voor andere opvattingen. Het zich beroepen op de oude situatie werkte nu averechts en Philippus Rovenius klopte daardoor in Rome op de verkeerde deur.
Paulus V koos er voor om de Noordelijke Nederlanden dan maar als onafhankelijk 'missiegebied' te gaan zien. Dit gaf iedere pater dus de kans om in deze streken als missionaris te gaan werken.
Michael Ophovius o.p., Dominicaan uit het klooster van Antwerpen, die prior en provinciaal geweest was en later bisschop van 's Hertogenbosch werd, kreeg de kans om in Rome mee te spreken over het nieuw te voeren beleid. In 1615 werd Ophovius o.p. door Rome zelfs benoemd als 'commissaris' in onze gebieden en tot prefect van de Dominicaanse missie in Holland.
Nu ontstond er een wezenlijk nieuwe situatie. Waar de apostolisch vicaris vasthield aan de oude structuren en daaraan zijn zeggenschap ontleende over de priester-kloosterlingen, benadrukten de Dominicanen nu het 'nieuwe' missiekarakter van de opstandige gebieden. Gaspar Luypaert o.p. kon zeggen dat hij als missionaris naar Schiedam kwam en geen verant-woording verschuldigd was aan de apostolisch vicaris, maar aan zijn eigen ordegenoot, de door Rome aangestelde prefect Michael Ophovius o.p.
Zo ontstond er in 1616 een eerste dominicaanse missiestatie, en wel te Schiedam.De vraag van Annetgen van der Burch - van Smalevelt om een pater Dominicaan voor haar en voor de stad Schiedam, kwam dus op het juiste tijdstip op de juiste plaats terecht, 1616, in het klooster van Antwerpen, het convent van Michael Ophovius o.p.
Heeft de burgemeestersweduwe van al deze kerkpolitieke complicaties geweten? Heeft zij heel bewust op het juiste ogenblik en op de juiste plaats (1616 te Antwerpen) haar vraag om een priester voor haar en voor de stad Schiedam neergelegd? Ik heb geen gegevens kunnen vinden, die dat bevestigen. Zullen wij het er maar op houden dat ook in Schiedam gebeurde wat wel vaker gebeurt: een toevallige samenloop van omstandigheden, waardoor nieuwe deuren naar de toekomst opengaan?
De prior van Antwerpen, pater Boucquet o.p. zal Gaspar Luypaert o.p. persoonlijk naar Schiedam begeleiden. Boucquet had een brief op zak, die hij op 18 januari 1616 zelf uit Rome had ontvangen: De religieuzen, die eenmaal tot biechthoren zijn toegelaten, mogen niet onrechtmatig worden bemoeilijkt en hebben geen toestemming van de pastoors nodig, vooral in de parochies van Holland'.
Op 1 mei 1623 werd uiteindelijk door Rome in een Resolutio dubiorum et difficultatum (bindende uitspraak over twijfelgevallen en problemen), vastgelegd, dat in Schiedam een Dominicaan mocht wonen en werken en dat hij een ordegenoot als assistent mocht hebben. Nog in 1704 zal de seculiere pastoor van Schiedam, Joannes Tibbel, in discussies - die zullen leiden tot de scheuring tussen oud katholieke en rooms katholieke kerk - felle kritiek uiten op dit 'binnendringen' van de Dominicanen in Schiedam. En zo is het gekomen……..

 

naar boven


Twee eeuwen Schiedamse katholieken en hun stadsregering 1574 - 1795

Hoe ging het de eeuwen die volgde met de katholieken in Schiedam? En met hun paters Dominicanen?

Rond 1620 zijn wij dan in een wat vreemde situatie terechtgekomen. Wat betreft de aanwezigheid van een katholieke gemeenschap logen de landswetten er niet om. Elke openbare belijdenis van het katholiek geloof was verboden. Wij weten ook dat de Schiedamse stadsregering deze wetten niet bepaald naar letter en geest uitvoerde, eerder het tegendeel. Een voorbeeld van zo'n wet is de volgende, uitgevaardigd op 26 februari 1622. Het werd verboden dat zich nog nieuwe priesters in de Noordelijke Nederlanden zouden vestigen. En zeker geen Jezuïeten, want voor hun invloed was men heel huiverig. 1)
De Staten Generael der Vereenighde Nederlanden…Ende wat belanght de Priesters, Papen, Monicken, ofte andere geordende Persoonen vande voorsz. Roomsche Religie, gene Jesuiten wesende, die voor den jare 1622 binnen dese landen woonachtich ende bij publijcke tolerantie gedoocht sijn geweest, sullen deselve gehouden zijn, haer binnen acht dagen na publicatie van desen, aende magistraten van hare residentie aen te geven met hare name en woonplaetsen, teneijnde daervan notitie gehouden, ende op haer comportement (hun doen en laten) gelet mach worden, op pene (op straf) van tegens de selve gheprocedeert te worden…
In Schiedam had deze wet weinig effect: Dirck Claesz. Pansser, getrouwd met Maria Pietersdr. van der Burch en dus schoonzoon van Annetgen van der Burch - van Smalevelt, legde op 20 maart 1622 (veel haast had hij dus niet) voor de burgemeesters een officiële verklaring af. Namens zijn schoonmoeder bevestigde hij, dat er in haar huis sinds lang een Dominicaan woonde, die geen Jezuïet was, en ook niet van diezelfde gezindheid. Vermoedelijk wisten de burgemeesters dat al lang, maar nu was aan de wet voldaan en verder gebeurde er niets.

Executie
Dirck Claesz. Pansser was lid van de vroedschap (stadsregering) van Schiedam. Tijdens een grote crisis was hij door prins Maurits zelf in deze functie benoemd. Deze crisis was van godsdienstige aard: een conflict in de gereformeerde kerk tussen remonstranten en contraremonstranten. De remonstranten waren partijgenoten van Johan van Oldenbarnevelt, terwijl prins Maurits zich aansloot bij de tegenpartij.
Tussen prins Maurits en Johan van Oldenbarnevelt speelde nog een heel ander conflict, namelijk de vraag wie de hoogste macht in onze provincie had: de Staten van Holland of de stadhouder-legeraanvoerder Maurits. Dit politiekgodsdienstige conflict zal eindigen met de executie van de bijna 72 jarige Johan van Oldenbarnevelt (13 mei 1619).
Op 24 september 1618 verwijderde Maurits zes remonstranten uit de stadsregering van Schiedam en benoemde zijn aanhangers in hun plaats. Je zou zeggen: dat waren dus zes contraremonstranten, maar daar werd blijkbaar niet zo op gelet, want van Dirck Claesz. Pansser was bekend, dat hij katholiek was! Blijkbaar was voor Maurits de politieke gezindheid genoeg. Pansser werd er zelfs eens publiekelijk op aangesproken: tijdens de vergadering van de vroedschap op 18 februari 1630 kreeg hij van een collega openlijk het verwijt, dat hij papist was en dus het recht niet had om in de stadsregering te zitten! Het verwijt van papisme kwam van verdachte zijde. Het werd uitgesproken door de houder van de bank van lening, wiens geslaagde transacties hem een plaats in de stadsregering hadden bezorgd. Daar werd hij door sommige patriciërs, ook door Pansser, met de nek aangekeken.
De stadsregering had meer interesse in een ander conflict. De gerefor-meerde kerk wilde zelf haar predikanten benoemen, maar de stadsregering wilde hierbij een vinger in de pap houden. Stel je voor dat er een remonstrantse dominee zou worden beroepen!

Moeilijke periode
Toen de politieke spanning echter hoog opliep, kregen de katholieken het moeilijker. Op 28 september 1629 moest Gaspar Luypaert uit Schiedam vluchten. Hij ging naar Michael Ophovius o.p. in Den Bosch en meldde hem: de grote vervolging in Schiedam en elders. De belegering en inname van 's Hertogenbosch door Frederik Hendrik, de inval van Duitse keizerlijke troepen om Frederik Hendrik weg te lokken, waarbij zelfs Amersfoort tijdelijk bezet werd, dit alles veroorzaakte veel emoties in de Hollandse steden. Ook de Dominicaanse missionaris in Amsterdam, Henricus van Merwen, vond het raadzaam naar 's Hertogenbosch te reizen. Hij bezocht Ophovius op 30 september van datzelfde jaar 1629.
Lang heeft die moeilijke periode niet geduurd. Gaspar Luypaert keerde naar Schiedam terug en overleed daar op 13 juli 1636. Zijn opvolgers Adrianus Mutsaert o.p. en Petrus Muliers o.p. en ook de seculiere pastoors werden door de stadsregering tot de bediening van katholieken toegelaten zonder dat er verder moeilijkheden werden gemaakt.

Gedoogbeleid
In de loop van de zeventiende eeuw lijken de meer katholiek gezinde regenten toch langzamerhand het veld te ruimen en zich niet zo sterk meer met de stadsregering bezig te houden. Maar dat veranderde niet veel aan de situatie van gedogen. De baljuw (hoofd van de politie) sloot een akkoord met de twee Schiedamse parochies. Rond 1670 betaalde de Dominicaanse statie 100 gulden per jaar en die van de seculiere pastoor 63 gulden. Voor dit bedrag waren de katholieken verder gevrijwaard van overlast door de politie. Hierbij zullen bij bepaalde gelegenheden ook nog wel de zogenaamde admissie- en bienvenu-gelden gekomen zijn 2). Men bedenke dat in die tijd het vragen en geven van steekpenningen vrij gewoon was. Dit beleid gaf de katholieken bovendien recht op enige rechtsbijstand.
Al hield dit niet veel in. Dat bleek toen er een klacht werd ingediend die de eredienst als zodanig betrof. Pastoor And Melijn o.p. meldde in 1683 officieel aan de baljuw, dat iemand zich in de kerk van de Dominicanen seer onbeleefdelijck gedragen had. De pastoor verzocht de baljuw om de man onder arrest te stellen als het zich opnieuw zou voordoen. De baljuw legde het probleem voor aan de burgemeesters en die namen de beslissing om het verzoek af te wijzen. Wel mocht de priester bij een volgend incident opnieuw een klacht indienen. Kwam de dader in dit geval van buiten de stad, dan mocht de baljuw hem arresteren en voor het gerecht brengen. Een schamel beetje rechtsbescherming, maar het is toch iets meer dan alleen maar een gedoogbeleid van de kant van de stadsregering.

Missiestaties
Het eigendomsrecht van de bedehuizen werd anders geregeld. Zij werden in het bezit gesteld van katholieke particulieren. De rooms katholieke kerk als zodanig had immers geen wettelijk recht van bestaan. Dit bracht vanzelf mee, dat de invloed van leken in het bestuur van de parochies vrij groot moet geweest zijn. Interessante bijkomstigheid was, dat deze katholieke gemeenschappen ook geen echte parochies waren volgens het kerkelijk wetboek. Het waren missiestaties, dus hadden zij geen parochiegrenzen. Iedere katholiek kon dus zelf kiezen bij welke gemeenschap hij of zij zich het meest thuis voelde.
In Schiedam speelde dit na 1723 niet meer, omdat de seculiere pastoor met de afscheiding meeging, die het ontstaan van de oud katholieke kerk betekende. Zo werd de dominicaanse gemeenschap gedurende meer dan anderhalve eeuw de enige rooms katholieke kerk in Schiedam.
De toestemming om onder de katholieken in Schiedam te werken werd zonder moeilijkheden aan de verschillende priesters gegeven, behalve in 1680 aan And. Melijn o.p. 3) Misschien had de stadsregering deze actieve priester en sterke persoonlijkheid leren kennen in de periode dat hij assistent van de Dominicaanse pastoor was. De burgemeesters wensten enige waarborgen tegen een in hun ogen te grote activiteit. Op 9 december 1680 kreeg hij alsnog de gevraagde toestemming, maar er werd uitdrukkelijk bij vermeld, dat deze slechts gold tot wederopzegging. Bovendien gaven de burgemeesters hem te verstaan, dat hij zich binnen de palen van discretie en moderatie moest houden en zich niet mocht inlaten met de gereformeerde inwoners van de stad, maar alleen met leden van zijn kerk. And. Melijn o.p. beloofde zich hieraan te zullen houden.

Op zijn beloop
Waarschijnlijk hadden Melijn en zijn voorganger zich met bekeringswerk beziggehouden - denk hier bijvoorbeeld aan gemengde verkeringen - en dat wenste de stadsregering niet te tolereren. De verdraagzaamheid bleef tot bepaalde grenzen beperkt. Nog in 1726 werden enige katholieken bij de burgemeesters ontboden, omdat de gereformeerde kerkeraad een klacht tegen hen had ingediend. Hun werd aangezegd, dat zij zich in alle ordentelykheijd hadden te gedragen. De klacht van de kerkeraad handelde voornamelijk over gemengde huwelijken en het bekeringswerk. Maar tevens werd de stoutheijt en ongebondentheijt gesignaleerd, dat, wanneer 's zondags de gereformeerde kerkdienst begon of eindigde, de katholieken zo brutaal waren om openlijk en met grote groepen naar hun eigen kerk te gaan en nog wel met hun boeken zichtbaar onder de arm.
Het kwam overigens vrij vaak voor, dat protesterende afgevaardigden van de kerkeraad of van de gereformeerde classis - het regionale bestuur - op het stadhuis verschenen om met een beroep op de strenge wetgeving te klagen over allerlei vormen van paapse stoutigheden. Meestal verstond de Schiedamse stadsregering de kunst om welwillend te luisteren en dan de zaak verder op zijn beloop te laten. Zo ook in 1699, toen And. Melijn o.p. zijn kerk vergrootte en er een hoog gewelf in liet aanbrengen, dat blijkbaar van buitenaf te zien was.

Maar geen scholen!
Op één punt wilde de stadsregering niet van tolerantie weten. In 1649 kwam aan het licht, dat Lucretia de Graeff school hield. Ze leerde de kinderen lezen en handwerken, maar bracht hen tevens katholieke godsdienstkennis bij. Men nam de kwestie hoog op. Lucretia de Graeff werd op het stadhuis ontboden en kreeg te horen, dat zij geen les meer mocht geven, tenzij zij de katholieke kerk verliet. Overtrad zij dit gebod, dan zou zij uit de stad verbannen worden
In de maand november 1724 diende de gereformeerde kerkeraad nogmaals een klacht in, nu tegen Anna Spuijt (Speuytenburg), rooms katholiek weduwe, die een schooltje geopend had, zoals bij een gedane huijsbesoekinge gebleken was. Op zaterdag 3 februari 1725 moest de weduwe op het stadhuis komen en haar werd streng verboden kinderen les te geven, op straffe van verbanning uit de stad.
Alles overziende kunnen wij zeggen, dat de regenten te verdraagzaam waren om de katholieken te dwingen protestant te worden. Zij waren niet verdraagzaam genoeg om aan de katholieken dezelfde rechten toe te kennen als aan de protestanten. Zo was overigens de situatie in de meeste steden van Holland. De gereformeerde kerkeraad en de classis, die in hun eisen veel verder gingen en zich hierbij konden beroepen op de strenge wetten tegen het katholicisme, werden welwillend aanhoord. Maar daarbij bleef het meestal, tenzij het over onderwijs ging. Dat werd niet getolereerd.

Jeneverindustrie
Zo kon zich een kleine minderheid van katholieken in Schiedam handhaven, totdat de situatie in de achttiende eeuw grondig veranderde. De jeneverindustrie kwam op en trok grote groepen arbeiders uit Duitsland
en andere landen naar Schiedam. Velen van hen waren katholiek, zodat de katholieke bevolkingsgroep in Schiedam uitgroeide tot 3600 gelovigen: 35 procent van de stadsbevolking!
Het werd natuurlijk steeds moeilijker hen als tweederangs burgers te blijven behandelen. Daarbij kwamen op het eind van de achttiende eeuw de moderne opvattingen over 'Vrijheid, gelijkheid en broederschap' uit Frankrijk naar onze streken overwaaien.
In 1795 was het dan eindelijk zo ver. De onder Franse invloed ontstane Bataafse republiek gaf ook aan de katholieken in de steden van Holland hun vrijheid van godsdienst. Zowel protestanten als katholieken zouden aan deze nieuwe situatie nog wel moeten wennen!

 

Noten

1) Plakaat van 26 febr. 1622. Zie: "C. Ca. V: Groot-Placaetboeck.
's Gravenhage, 1664. Boeck 1, tit. 4, deel 1, kol. 203-205.

2) Admissie- en bienvenu-gelden: sommen geld, die moesten betaald worden als een pastoor zijn functie aanvaardde, of als een nieuwe ambtsdrager (burgemeester, baljuw, enz.) in de stadsregering zitting nam.

3) And. Melijn o.p. geprofest te Antwerpen, 28 juni 1671. Primarius (pastoor) te Schiedam van 1680 tot 1710. Overleden op 5 mei 1710. Ordende de doopboeken, die nu berusten op het gemeentearchief van Schiedam. Noteerde allerlei historische bijzonderheden, die hij voor de geschiedenis van de Schiedamse statie van belang achtte. Richtte verschillende godsdienstige broederschappen op, waarvan de namenlijsten zich bevinden op het provinciaal archief van de Dominicanen in Nijmegen. Een gedeelte van zijn bibliotheek is bewaard gebleven. (Gemeentearchief van Schiedam).
Zeer actief betrokken bij de polemiek rond de kwestie van de oud Bisschoppelijke Clerezy, die zou uitlopen op de scheuring tussen Rooms katholieke en Oud katholieke kerk. De saeculiere pastoor Joannes Tibbel maakte zich van Rome los. Maar Melijn o.p. ging niet met de scheuring mee en het grootste deel van de Schiedamse katholieken koos zijn kant. Sindsdien was de kerk van de Dominicanen gedurende meer dan anderhalve eeuw het enige Rooms katholieke bedehuis in de stad Schiedam.

 

naar boven


De Havenkerk, symbool van een nieuwe tijd

De Havenkerk is er nog steeds, maar het had heel wat voeten in aarde voordat de eerste steen werd geplaatst

Mensen tellen hun leven in jaren, kerken in eeuwen. In dat opzicht is de Havenkerk nog maar een jonge man vergeleken met de Grote Kerk aan de Markt, die uit de dertiende eeuw stamt. Maar de ruim 180-jarige leeftijd van de kerk aan de Lange Haven beslaat een belangrijk tijdvak, waarin de katholieken van Nederland een periode van hernieuwde bewustwording beleefden. Daarom is de stichting van de Havenkerk in kerkhistorisch opzicht interessant. Daarbij komt dat de paters Dominicanen in de jaren zestig van de vorige eeuw de Havenkerk voor de symbolische prijs van één gulden aan de Evangelische gemeente van J. Maasbach hebben overgedragen. Ook in deze ontwikkeling is de geschiedenis van dit gebouw een monument van de voortgang in de rooms katholieke kerk te Schiedam tussen 1800 en 2000.
De Havenkerk was de tweede kerk in Noord-Nederland, die het waagde een echte toren boven de daken uit te steken! Nog een tiental jaren later zou ditzelfde drieste feit in Rotterdam scherp protest uitlokken, toen de Houttuinse kerk haar kruis boven de huizen hief. En de periode van moeizaam onderhandelen, van de opbouw en van de inzegening van de Havenkerk op 14 november 1824, tekende zo sterk de sfeer van de rooms katholieken uit die dagen, dat het de moeite waard is haar op te roepen.

Een grootse kerk
Tot dan toe kerkte de rooms katholieke gemeenschap van Schiedam in het gebouw dat tussen Korte Haven en Dam gelegen was, schuin tegenover de oud katholieke kerk. Het was een flinke behuizing geweest, nog een echte schuilkerk, want aan de buitenkant mocht het gebouw niet als kerk herkenbaar zijn. Op 13 juni 1774 was de eerste steen gelegd, maar al in 1816 was het gebouw veel te klein geworden. De opkomende jeneverindustrie had grote groepen arbeiders naar Schiedam gelokt. Velen waren rooms katholiek. De parochie groeide uit tot 3600 gelovigen, ofwel 35 procent van de toenmalige stadsbevolking. Een dergelijk mensenmenigte kon de schuilkerk aan de Korte Haven onmogelijk bedienen. Dus begon men te spelen met het denkbeeld om een grootse kerk te bouwen.
Met het plan rezen de moeilijkheden. De Napoleontische oorlogen waren wel voorbij, maar hun nasleep van armoede en gebrek lag nog over Europa. Bovendien was de samenstelling van de rooms katholieke parochie op financieel gebied niet erg rooskleurig: een klein aantal gegoede notabelen en een zeer grote groep straatarme arbeiders. Het was voor de parochianen onmogelijk het volledige bedrag voor een veel groter kerkgebouw bijeen te brengen.

Een brief aan de koning
De enige uitweg was: koning Willem I om subsidie vragen.
De kerkmeesters Jan Nolet jr., J. Beukers en P.A.J. d'Aquin stelden een brief op, waarin zij uitvoerig de situatie uiteenzetten en Zijne Majesteit zeer onderdanig verzochten hen een bijdrage uit 's lands kas te verlenen. De brief werd verzonden, maar lange tijd gebeurde er niets. De regering vond de eerste subsidieaanvrage veel te hoog: 60 duizend gulden op een totaalbedrag van 103 duizend gulden.
De situatie in de oude kerk werd intussen steeds nijpender. Natuurlijk had men gemeend er goed aan te doen alle noodzakelijke reparaties aan het oude kerkgebouw zo veel mogelijk te beperken. Dit leek geldverspilling, omdat het gebouw toch spoedig opgegeven zou worden. Bovendien had het kerkbestuur alvast een groot stuk grond aan de Lange Haven gekocht. Het was ideaal gelegen, dus niets leek de nieuwbouw in de weg te staan.
Maar toen de beslissing van de regering jarenlang uitbleef werd de toestand precair. De oude kerk begon langzamerhand het predikaat: 'onbewoonbaar' te verdienen. En ook het gekochte stuk grond zou veel geld gaan kosten: het was van de openbare weg afgesloten door een houten schutting en een muur. Beide waren zo vervallen, dat de bouwinspecteurs van de stad het onverantwoord vonden dit langer zo te laten. Op 20 maart 1820 werd het kerkbestuur door de stadsregering gesommeerd om de oude omheining af te breken en een steviger te laten optrekken.

Nijpend
Grote ontsteltenis! Moest men het weinige beschikbare geld nu aan zo iets uitgeven, dat binnen enkele jaren toch weer gesloopt moest worden? Het ene verzoekschrift na het andere verliet de stad. Ook de gouverneur van Zuid Holland werd om hulp verzocht. Kerkmeesters stuurden een schrijven aan de directeur-generaal voor de zaken van de R.K. eredienst: de rijksambtenaar Goubau. Deze bezocht zelf Schiedam, constateerde dat nieuwbouw zeer urgent was, maar bleef erbij, dat de parochie veel meer zou moeten bijdragen, dan in de eerste plannen begrepen was.

Na enig onderhandelen legden kerkmeesters een nieuwe begroting op tafel. Het totale bedrag van bouw en inrichting werd nu 100 duizend gulden. Het kerkbestuur stelde verder een inschrijving open en deze bracht het voor die tijd en deze parochie enorme bedrag van 30 duizend op. Een en ander bewerkte, dat de regeringssubsidie nu slechts 20 duizend gulden behoefde te bedragen en dat leek ook Goubau redelijk. Op 29 september 1820 adviseerde hij koning Willem I hierover gunstig te beslissen. De gouverneur van Zuid Holland sloot zich hierbij aan.
Maar de koning wachtte met zijn besluit. In Schiedam werd de toestand hierdoor nog nijpender. De omheining rond het stuk grond aan de Lange Haven stond nu letterlijk op instorten en op 22 januari 1821 sommeerde de stadsregering het kerkbestuur nogmaals krachtig om binnen drie maanden deze noodtoestand te verhelpen.
Weer regende het verzoekschriften bij de regering, nu ook van de burgemeesters van Schiedam, die de absurde toestand waarin het kerkbestuur zich bevond, duidelijk inzagen. Op 7 februari 1821 bracht Goubau de kwestie nogmaals onder de aandacht van de koning en trachtte de zaak te urgeren. Maar pas op 8 april 1821, vijf jaar na de aanvraag, kwam te Brussel het lang verwachte koninklijk besluit af. De subsidie werd verleend en de bouw kon beginnen.

Groot feest
Op last van de koning stelde de stadsregering een commissie van toezicht aan, die aan de regering verantwoording zou moeten afleggen over het besteden van de subsidie. Op 20 juni 1821 werden Wilhelmus Johannes Nolet, Karel Wenneker en Gerardus Lindeman hiertoe aangewezen.
Het is te begrijpen dat de rooms katholieke gemeenschap van Schiedam de eerste steenlegging wilde aangrijpen om groots feest te vieren. De overwonnen moeilijkheden stimuleerden dit, en ook het verlangen om de pas verkregen vrijheid van godsdienstuitoefening daadwerkelijk te beleven.
Als datum stelde men 7 maart 1822 vast en er werden plannen gemaakt voor een grootse optocht naar het terrein van de nieuw te bouwen kerk, waarbij de geestelijkheid in plechtig kerkelijk gewaad zou meetrekken. Ook de stedelijke schutterij zou aanwezig zijn, tot verhoging van de feestelijke sfeer, maar waarschijnlijk ook om eventuele relletjes tussen de aanhangers van de verschillende religies direct het hoofd te kunnen bieden.
Op 6 maart bereikte dit bericht echter de regering en hier ontstond een koortsachtige activiteit. Nog dezelfde dag ging er een bevel van koning Willem I naar de gouverneur van Zuid Holland om de nodige maatregelen te nemen en deze plechtigheden op de openbare weg te verhinderen, want dat zou de aanhangers van andere religies te zeer prikkelen.
Hoe de gouverneur zich van zijn taak gekweten heeft is niet bekend. Moesten de rooms katholieken in Schiedam in allerijl hun plannen wijzigen? De tocht van de oude kerk naar het terrein van de nieuwe werd in ieder geval niet te voet afgelegd, maar in negen koetsen, die door de aanzienlijke families in de stad beschikbaar gesteld waren. De gehele plechtigheid verliep verder, zoals men dit gewenst had. De in volledige bezetting opgekomen schutterij behoefde niet in te grijpen. Haar aanwezigheid was blijkbaar al indrukwekkend genoeg!
Op 14 november 1824 was het kerkgebouw volgens de plannen van architect Tollus voltooid en vond de inzegening plaats. Ook nu was binnen en buiten de kerk de schutterij aanwezig om de orde te handhaven. Zij bezette de toegangen van het gebouw om ieder te weren, die niet in het bezit van een toegangskaart was. De gouverneur van Zuid Holland en de burgemeester van de stad woonden de plechtigheid bij, die verricht werd door de provinciaal van de Dominicanen: pater Pruijmboom o.p.
Een dag later: op 15 november, werd in het nieuwe kerkgebouw de eerste plechtige heilige Mis opgedragen. Die dag was niet zonder reden gekozen. Het was de verjaardag van Jan Nolet, die - ook financieel - veel tot de bouw van de Havenkerk had bijgedragen.

 

naar boven


Het kerkgebouw als beeld van de Onafbeeldbare

We springen ruim anderhalve eeuw verder. Schiedam breidde uit, er werden nieuwe kerkgebouwen gebouwd en gesloopt. Eén dominicaanse parochie bleef, in Nieuwland. Hieronder een beschrijving van dit kerkje als ontvangstplaats van de Eeuwige, in de lijn van 2000 jaren kerkenbouw

In Schiedam-Nieuwland staat sinds 1999 een klein, modern kerkje. Het lijkt niet erg op wat in de vorige eeuwen als typisch kerkgebouw gezien werd. Toch heeft het zijn eigen verhaal, hoe jong het ook is.
Wanneer we een kerkgebouw binnengaan, bezichtigen wij meestal de voorwerpen - soms zeer kunstzinnig, soms alleen maar devotioneel - die het gebouw vullen. Wij kijken naar het altaar, naar de glas-in-lood ramen, het monumentale orgel, de beelden, de preekstoel, een schilderij van Rubens… Als wij bij het binnenkomen een folder in handen krijgen om een rondgang door de kerk te maken, worden juist deze voorwerpen beschreven.
Dit is zinvol, maar er wordt bijna altijd iets wezenlijks vergeten. Zelden wordt gewezen op de specifieke, grote, lege ruimte, die de kern van het kerkgebouw vormt. Binnen deze ruimte vinden alle vieringen, alle preken, alle beelden en voorwerpen, hun plaats. Heel het kerkelijke leven speelt zich af binnen de lege ruimte, die de kerk is. Iedere bezoeker betreedt eerst deze ruimte, voordat hij of zij aandacht kan geven aan beelden of schilderijen. En ieder kerkgebouw heeft zijn eigen, unieke en vaak indrukwekkende vormgeving van deze ruimte, die verschilt van de unieke ruimte van een ander kerkgebouw.
Die unieke ruimte is een van de beelden van de Onafbeeldbare, die wij God noemen. Zij is als een foto van de Onzienlijke, genomen in de tijd, waarin deze kerk werd gebouwd (Han Fortmann: Als ziende de Onzienlijke) maar ook in onze tegenwoordige Godsbeleving klinken de echo's van toenmalige opvattingen over het Goddelijke vaak nog door. Deze foto's zijn geen 'Voltooid verleden tijd' en daarom kunnen oude kerkgebouwen ons nog steeds boeien, ook spiritueel. Laten we, alvorens het kerkje in Nieuwland te beschrijven, de geschiedenis van de kerkenbouw langs gaan.

Een Romeinse tempel
Dit type gebouw staat meestal op een kunstmatige heuvel, zodat een groot aantal traptreden naar het hart van het gebouw voert. Dit alleen al suggereert, dat je nu een 'verheven wereld' binnentreedt, verheven boven het gewone aardse gedoe. Het dak wordt gedragen door rijen zuilen.
Onder deze overdekte rechthoek staat een gesloten kamer. Hierin bevindt zich het beeld van de god of godin, aan wie deze tempel is toegewijd. Dit beeld representeert de Goddelijke aanwezigheid. Alleen de (hoge)priester betreedt deze binnenste ruimte, dit 'heilige der heiligen', om de gebeden van de gelovigen naar de god over te brengen. Het biddende en offerende volk kan de godheid niet zien. Het blijft buiten, beneden en op eerbiedige afstand staan. Het Goddelijke wordt hier dus aangevoeld als zeer hoogverheven en ver boven het gewone (volks)leven. God is hier een grootmacht, die je niet te dicht moet benaderen en die je te vriend moet houden, want grootmachten kunnen erg gevaarlijk zijn! Alleen 'specialisten' hebben - als een soort topambtenaren of leden van de hoge adel - toegang tot het Goddelijke. Hun bemiddeling is dus vereist.

De synagoge
De synagoge is een 'leerhuis', waarin je Gods boodschap van verbondenheid, zoals die in de Thora besproken wordt, leert beseffen. De Eeuwige openbaart zich in de woorden van de Thora, de heilige Schrift. Lernen en dan 'leven volgens de Wet' is de beste manier om de Eeuwige te dienen. Centraal in de synagoge staat dan ook de 'bima', de leerstoel. De Thora-rollen, waaruit Gods woord gelezen wordt, worden met de meeste eerbied bewaard en getoond.
Een ander element van de Joodse eredienst zijn de vieringen thuis, sabbath en vooral ook Pesach, het Paasmaal. De Eeuwige zit met de familie aan tafel - denk aan de lege stoel voor Elia - en 'leeft voort' in de herinnering aan de bevrijding uit het slavenhuis Egypte en in het ontsteken van het licht. De Eeuwige is JHWH, in de betekenis: Ik ben jullie nabij. Deze nabijheid van God heeft natuurlijk mede zijn weerklank gevonden in de beleving van het ter communie gaan van katholieke gelovigen. Bedenk, dat de Eucharistie een herhaling is van het Joodse Pesachmaal, zoals Jezus dit vierde met zijn vrienden op de laatste avond van zijn leven.
Deze Joodse 'lekenviering' is echter onder invloed van het Hellenistisch-Romeinse denken (zie boven) gesacraliseerd. Nu mogen alleen nog maar speciaal hiervoor opgeleide en gewijde priesters in de Eucharistie voorgaan. Deze verschuiving komen we in dit verhaal nog tegen.

Het bouwwerk van een klooster
U kent ze wel, de grote kloosters in de zuidelijke landen en ook wel in ons eigen land. Wat de bouwstijl kenmerkt: niet de kerk vormt het middelpunt, niet de bibliotheek, de refter of de kapittelzaal, maar de lege ruimte van de binnentuin. Heel het klooster - en dus heel het kloosterleven - wordt opgebouwd rond een lege ruimte, waarin de natuur centraal staat: kruiden, een vijver, boompjes.
Rond die lege ruimte voltrekt zich het kloosterleven, het bidden, het studeren, het eten, het slapen. Alles is 'rondom de leegte', en deze leegte/ruimte vormt de verbinding en de relatie tussen alles. Zij relativeert daarmee ook al het werken van de kloosterlingen, zelfs de eredienst, het gebed en de studie. Zij accentueert de mystieke ervaring van de Eeuwige als The cloud of unknowing, de wolk van het niet-weten (de naam van een Middeleeuws Engels boek). De nadruk ligt op het weten dat je het bij God niet weet, het 'niet-wetende weten' (Meester Eckhart o.p., rond 1300).
De lege ruimte als het symbool van de Eeuwige die Mysterie-bij-uitstek is, staat centraal. De bouw roept op tot meditatie en mystiek.

De Basilica
Toen het christendom staatsgodsdienst werd, een ontwikkeling die rond 320 begon onder keizer Constantijn, namen de christenen de bouwstijl van de keizerlijke basilica's over. Een voorbeeld is de basilica van Trier in Duitsland, die ooit een keizerlijke ontvangzaal was. Latere basilieken, zoals de St. Paulus-buiten-de-muren en de St. Pieter in Rome, gaan verder op de weg van deze traditie.
De keizer of zijn plaatsvervanger zat in de absis, een ruimte in de vorm van een schelp, gevormd door de boog in de muur aan de voorzijde van de basiliek. Het volk bevond zich in de grote ruimte. Ambtenaren liepen af en aan met boodschappen, verzoekschriften en keizerlijke uitspraken. Zij waren de noodzakelijke schakels tussen de keizer en de gewone mensen.
Mede hierdoor is de hiërarchische interpretatie van het rooms katholieke priesterschap ontstaan. Was het pesachmaal, waarbij Jezus Zijn teken van brood en wijn instelde, een 'lekenviering', de Eucharistie wordt tot een soort keizerlijke eredienst met speciaal aangestelde ambtenaren als nood-zakelijke schakels tussen God en mens.
In sommige basilieken staat de troon van paus of bisschop in de absis. Hij wordt hiermee dus getekend als plaatsvervanger van de Eeuwige. En de priesters leggen het contact tussen leken en God. Zij zijn de 'ambtenaren'van paus of bisschop. Zo ontstaat een typisch hiërarchische kerkopvatting met De Eeuwige als top van een piramide en paus en bisschoppen als hoog bovenaan, als Zijn plaatsvervangers. De priesters zijn de assistenten en medewerkers van de bisschoppen. De leken bevinden zich onderaan. Voor hen wordt zorg gedragen, maar zij hebben geen sacraal gezag of invloed. Aan hen wordt het Woord verkondigd en worden de sacramenten toebedeeld (let op de passieve werkwoordsvormen). Of de Joodse Jezus dat zo bedoeld heeft?

De gotische kerken en kathedralen
In de middeleeuwse gotische bouwkunst zien we een vaak grandioze poging om de gehele kosmos te plaatsen in Goddelijke ruimte en Goddelijk Licht. Dankzij bogen en steunberen kon de druk van het gewicht van het dak naar buiten afgevoerd worden, zodat de mogelijkheid ontstond om de dragende muren te vervangen door glas-in-lood ramen. De doden zijn aanwezig onder de vloer. De voorouders leven voort in de beelden van de heiligen uit het Eerste en het Tweede Testament. Maan en sterren zijn op het plafond geschilderd, zuilen suggereren een woud van bomen. Hun takken en bladeren zijn de ribben, die het plafond schragen. Alle muziek van de wereld wordt geconcentreerd in de vele toonmogelijkheden van het orgel. De verrezen Heer Jezus Christus is aanwezig in het geconsacreerde brood, dat in het tabernakel wordt bewaard. Maria geeft vorm aan Gods mededogen in de afbeelding van Notre Dame.
De Eeuwige is symbolisch getekend als Ruimte en Licht, waarbinnen zich het gehele bestaan van mensen en van de kosmos afspeelt.

Het kerkgebouw in Schiedam-Nieuwland
Hoe kunnen we in het verlengde van het voorafgaande, het kerkje in Nieuwland beschrijven?
De vorm doet denken aan een tent. Het is de plaats van samenkomst voor het 'Volk van God onderweg'. De altaartafel heeft dan ook een paar grote gaten, zodat er - als ooit bij de Ark van het verbond - stokken doorheen kunnen worden gestoken om weg te dragen en weer op weg te gaan. Door de ramen is de stad en de buitenwereld duidelijk aanwezig. Zon en regen, wind en sneeuw, dag en nacht, winkels en flats, zij zijn en blijven vlakbij.
Het is als een vluchtige plaats van samenkomst - zoals ooit voor het volk van Israël bij hun tocht door de woestijn. Het is een tijdelijk opgeslagen tent binnen de stad waarin wij leven. Dit leven is een op-weg-zijn, altijd in beweging, zoals het levende water, dat op de vensters wordt afgebeeld. Leven is een steeds, door allerlei situaties heen, verder gaan, zoals getekend in de levensboom tegen de wand. Zij verliest haar bladeren en ontvangt ze weer, ieder seizoen opnieuw.
De voorganger staat temidden van het gelovige volk, want samen met hen is ook hij of zij op weg. Dan eten en drinken wij samen het Brood-voor-onderweg. Alleen Gods Woord staat 'tegenover' ons dagelijks leven en roept ons op om hier ook kritisch naar te kijken. Daarom bewaart de lezenaar enige afstand tussen de voorganger en de toehoorders.
De Eeuwige is hier getekend als Hij/Zij, die ons op onze wegen begeleidt. Soms, voorbijgaand, wordt de Eeuwige onder woorden en tekens aanwezig gebracht. Daarna breken wij de tent van samenkomst weer op en vervolgen onze weg door het leven van elke dag, vertrouwend dat Hij/Zij met ons gaat. De zegen van de Eeuwige vergezelle ons daarbij.

naar boven